Over Gerrit Komrij

Schrijven was als ademen voor Gerrit Komrij. Voor hem was de verbluffende hoeveelheid werk die hij in zijn leven bijeen schreef – drie strekkende meter op de boekenplank – niet verwonderlijk. Een mens vroeg zich toch ook niet af hoeveel hij bij elkaar heeft geademd?
Voor wie dat werk in ogenschouw neemt is het niet alleen adembenemend om te zien hoeveel hij schreef, maar vooral ook hoe uitzonderlijk en divers het resultaat van zijn schrijven was. Komrij was de spreekwoordelijke literaire duizendpoot. Alle genres beheerste hij tot in de finesses: gedichten en essays, romans en toneelstukken, kritieken en columns, libretto’s en bloemlezingen. En daarnaast vertaalde hij, ‘om den brode’, nog een boekenplank vol.
In zijn oeuvre – ‘als ik het woord “oeuvre” hoor, ga ik tegenwoordig altijd even staan,’ lachte hij, nog vlak voor zijn dood – toonde Komrij zich als een meester van de maskerade. Hij deed geen openlijke confessies, omdat hij onaantastbaar wilde blijven voor vuige invloeden van buitenaf. Hij zweeg liever.

Eer plant men bomen op de weg,
Eer zal men kakken in zijn hoed
Dan dat ik u mijn ziel blootleg
En zeg wat ik thans lijden moet.

De consequentie van zijn zwijgzaamheid was dat hij zich in taal verhulde en onthulde tegelijk. Zijn werk groeide uit tot een schitterend spiegelpaleis waarin Komrij de weg wees en je liet verdwalen. De oprechte pose werd zijn handelsmerk. In Verwoest Arcadië, de ontroerende en geestige roman waarin hij zijn jeugd beschreef via boeken die hij als jongen had gelezen, staat: ‘Eerlijk moest je zijn. Het was noodzakelijk dat hij met de billen bloot ging. Als hij er maar steeds voor zorgde een paar onechte billen op zak te hebben. Die moest hij de mensen zo oprecht mogelijk toesteken.’
De gretigheid naar boeken, naar het lezen en het schrijven, was niet vanzelfsprekend in zijn jeugd aanwezig geweest. Gerrit groeide op als de jongste zoon van een automonteur in een van boeken verstoken arbeidershuisje in Winterswijk. Een luchtbel in ruimte en tijd, waarin hij diep gelukkig zweefde. Een idylle.
Over dat woord schreef Komrij in Humeuren en temperamenten, zijn encyclopedie van het gevoel: ‘Nooit zou ik in mijn kinderjaren de inspiratie kunnen vinden of het materiaal voor een avonturenroman, een drama, een noest epos vol conflicten, met overal adders onder het gras en een keur aan complexen in een notendop. Die jaren waren er te teer voor, te kabbelend, te roze, te simpel. Ze waren een eiland van stilte.’
Om zijn genialiteit – want dat hij een genie was, dat wist hij al jong – tot wasdom te laten komen moest die uitzonderlijke eenling, die stille, getalenteerde jongen zichzelf uitvinden. En dat deed hij. Hij onderscheidde zich door zijn tics, zijn theatrale gedrag, zijn liefde voor jongens en boeken. De onrust besprong hem. Hij moest vooruit, het dorp ontvluchten en naar de grote stad. In 1963 vertrok hij naar Amsterdam. Om te studeren. Maar vooral: om zich in het volle leven te storten.
Aanvankelijk bracht het volle leven hem in verwarring. Hij had geen richting en geen houvast. Hij vluchtte zelfs even opnieuw, verliet Amsterdam en ging een jaar naar Kreta. In de roman Hercules zijn daar nog de wonderlijke sporen van te vinden. Bij terugkomst in Amsterdam verbond hij zich voorgoed aan de liefde van zijn leven: Charles Hofman, ‘de mooiste jongen van Europa’, die hij voor het eerst weer zag staan in de Utrechtsestraat:

De straat verandert als bij toverslag.
Er vliegen stalen platen in het rond.
Een vuurbal zet de stad in lichterlaaie.

Aan het einde van de jaren zestig kreeg Komrij’s literaire carrière lucht onder de vleugels. Hij debuteerde in 1968 – 24 jaar jong – met de bundel Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten en bracht daarmee een schok teweeg in de door de experimentelen en Vijftigers gedomineerde poëzie. Komrij’s gedichten waren vormvast, zij rijmden (‘net zo moeilijk als goede niet-rijmende gedichten’), ritselden van de verwijzingen, waren oprecht en ironisch tegelijk en explodeerden niet zelden in de laatste regel. Ze wekten beurtelings totaal onbegrip en mateloze bewondering.
Bij het publiek werd Komrij in de jaren zeventig vooral bekend als columnist en genadeloze criticus van de literatuur, de kunst, moderne architectuur en de televisie. In zijn recensies van de Nederlandse literatuur, die werden gebundeld onder de veelzeggende titel Daar is het gat van de deur, hanteerde hij de houwdegen. In vlammende, humoristische stukken schoffelde hij enkele van zijn arme collega’s zo hard onderuit dat ze nooit meer overeind zouden komen. ‘Wie voor mijn voeten loopt, die krijgt een schop.’
Het tekent Komrij dat hij in Amsterdam een graag geziene gast bleef op werkelijk alle vernissages en boekpresentaties. Hij raakte bevriend met veel van zijn vijanden, omdat deze ‘misantroop die van mensen houdt’ in de omgang uiterst beminnelijk bleek te zijn. Inconsequent? Welnee. Hij verenigde simpelweg de tegendelen in zichzelf. ‘Ik weet niet wat links of rechts is. Ik voel me niet vervreemd of verscheurd. Ik aanvaard de versplintering van de wereldbeelden als een godsgeschenk. Ik ben de eerste gelukkige schizo.’
Toch voelde Komrij zich, hoe beroemder hij werd, meer en meer gevangen in het Amsterdamse literaire wereldje. Hij kende teveel mensen, voelde zich niet vrij. Opnieuw zag hij zich genoodzaakt te vluchten. In 1984 vertrok hij, samen met Charles, naar een paleis in het onherbergzame Noorden van Portugal. ‘Veertig ben ik heden, en een zwerfhond geworden.’ Het liefst wilde hij voor eeuwig verdwijnen.
Komrij en Hofman, de twintigste-eeuwse Nederlandse Oscar Wilde en Lord Alfred Bosie, kregen het een paar jaar na hun aankomst in het paradijselijke Portugese dorpje Alvites – dat mentaal, cultureel en wat voorzieningen betreft nog in de Middeleeuwen verkeerde – steeds heviger aan de stok met de plaatselijke clerus en de herenboer. ‘Een waanzinsaria,’ noemde Komrij de situatie in de roman Over de bergen, waarin hij delen van het conflict verwerkte in een fabuleus, angstaanjagend verhaal. Na vijf jaar moesten zij hun paleis weer ontvluchten.
De laatste achtentwintig jaar van zijn leven brachten Komrij en zijn levensgezel door in een dorpje in het hart van Portugal, een uur ten oosten van Coimbra. Vila Pouca da Beira heet het. ‘Niemandsdorp’ noemde Komrij zijn woonplaats, met oog voor de kwaliteiten van dat woord. ‘’t Is mijn heilige overtuiging dat opscheppen een zegen vormt voor het sociaal verkeer en altijd en overal dient te worden bevorderd. Bescheidenheid is ook een vorm van opscheppen,’ schreef hij in Vila Pouca. Kroniek van een dorp.
Komrij bewoonde in het dorp een groot wit huis met uitzicht op het Stergebergte. Hij verliet zijn huis in de jaren negentig ook weer wat vaker, kwam geregeld naar het vaderland omdat men een beroep op hem deed. Het was zijn lot te blijven zweven tussen twee werelden zonder in één van beide helemaal thuis te zijn.

Er is een land dat ik met pijn verliet,
Er is een land dat ik met pijn bewoon.
Een derde land daartussen is er niet.
Mijn leven volgt een zonderling patroon.

Komrij was tegen wil en dank van buitenstaander een icoon van de Nederlandse letteren geworden. In 1993 ontving hij de P.C. Hooftprijs voor zijn columns en essays, volgens de jury omdat hij die genres ‘met zoveel brille, stijlgevoel, vernuft, afwisseling en effectiviteit heeft beoefend dat hij ze de afgelopen vijfentwintig jaar hun intellectuele en subversieve waardigheid heeft teruggegeven. Daarmee heeft hij zich geschaard in de rij Multatuli, Busken Huet en Du Perron.’
In 2000 werd Komrij eredoctor aan de Universiteit van Leiden, met name vanwege zijn baanbrekend werk aan de vuistdikke bloemlezingen uit de Nederlandse en Zuid-Afrikaanse poëzie. Hele generaties studenten groeiden op met ‘De dikke Komrij’. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw vervulde hij met gezonde tegenzin als eerste het ambt van Dichter des Vaderlands. Hij was duivels actief, wierp zich op als vader van alle jonge talentvolle dichters, maar gooide na vier jaar het bijltje erbij neer. ‘Ik heb er genoeg van, ik heb er tabak van. Hoe zeg je dat: ik abdiceer.’
De laatste jaren van zijn leven bleef Komrij onverminderd productief. Hij publiceerde een reeks stukken over actuele kunst in Kunstwonderen, schreef de roman De loopjongen, waarin hij nog één keer messcherp de holle idealen van zijn generatiegenoten fileerde. En hij ontpopte zich tot Facebookkoning. In zijn computer groeide het manuscript van zijn nieuwe, omvangrijke dichtbundel: Boemerang, waarvan een aantal gedichten zijn eigen dood lijken aan te kondigen.
‘De dood is de meest bespotte, gehoonde, verdrongen, met de stroopkwast bejegende zekerheid van het leven,’ vond Komrij. Net als voor zeer veel andere dichters speelde de dood ook in zijn werk een cruciale rol. Achtenzestig jaar lang heeft hij zelf de dood bespot, gehoond, verdrongen – en uiteindelijk moeten omarmen. ‘Laat me, heregod, sterven in mijn slaap, op een bed van eiderdons, onverwacht, als een gezonde honderdjarige en in volle vredestijd, ’ smeekte Komrij in Humeuren en temperamenten.
Het was hem niet gegund. Op 5 juli 2012 blies hij zijn laatste adem uit in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam. Precies twee weken later werd hij begraven in Vila Pouca da Beira, op het kerkhofje aan de voet van de heuvel waarop zijn huis staat.