Gerrit Komrij ontmoette ik in 2006, betrekkelijk laat dus, nadat ik zijn werk al een leven lang had gelezen en bewonderd.
De gebeurtenis vond plaats tijdens een diner van de ‘Heerenclub’ in Utrecht. Deze club, waarvan wel Heeren maar geen Heren lid zijn, gaf daarmee vrij baan aan de presentatie van een bijzondere bibliofiele uitgave. Het ‘Gedicht zonder Dom’ dat Gerrit had geschreven bij een litho van Jeroen Hermkens; prent en gedicht werden in een fraaie vormgeving en een beperkte oplage gelanceerd.

Ruben van Gogh en Ingmar Heytze lazen voor. Jeroen Wielaerts presenteerde de middag met de hem zo kenmerkende schwung.

Na afloop werd ik voorgesteld aan Komrij. ‘Aha, dus jij bent die Breukers,’ zei hij. Ik kon het niet ontkennen. We praatten wat, maar het idee dat ik tegenover mijn literaire jeugdheld zat, was niet bevorderlijk voor mijn conversatie. Die dan ook snel in de kiem werd gesmoord. Al was dat ook te wijten aan de vele mensen, die even met Komrij wilden praten. Jan Zandbergen deed verslag van de middag voor HP/De Tijd. Hij lanceerde mij als Gerrits opvolger – een te zware hypotheek op mijn loopbaan.

Een paar dagen later traden Komrij en ik samen op in Café van Wegen, aan de Lange Koestraat. Mijn bloemlezing uit de Nederlandstalige poëzie van na 1980 was net verschenen, onder de waarlijk Komrijeske titel 25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005 in 666 en een stuk of wat gedichten. Komrij zat er als hoofdprogramma en opperbloemlezer.

Het werd de eerste van vele memorabele avonden, waarin de nazit vaak belangrijker (en onthullender) was dan het optreden zelf. Vooral ná een lezing was Komrij op zijn best. Zittend aan een tafel bij Van Wegen, de ene Brand Up na de andere nuttigend, hield hij audiëntie. Het mooie was: hij maakte geen onderscheid tussen bekend of onbekend, met iedereen sprak hij.

Die avond maakte ik voor het eerst kennis met Gerrits lichte venijnigheid als het de zaken betrof die literair van belang waren. Hoe hij sommige schrijvers kon neerzetten als de kleine goden die ze waren of zijn. Hoe hij in een paar woorden kon schilderen wat hem niet in iemand beviel: ‘(naam invullen) is een groot dichter… in een bepaalde wereld…’

Toen ik om drie uur, tamelijk dronken, naar huis wilde gaan, vroeg hij: ‘Ben je soms christelijk geworden dat je nú al weggaat?’ Een uur of vier later zat hij zelf alweer achter zijn laptop. Te lezen en te schrijven. Commentaar leverend op alles en iedereen.

Hij wordt, nog steeds, gemist – en is niet te vervangen.