‘Ho-ho-ho-ho-ho. Homohu, homohu, homohuwe… Ik krijg het mijn strot niet uit, Arthur.’
Het was februari van dit jaar en Gerrit vertelde dat hij ging trouwen met Charles, na bijna een halve eeuw in zonde te hebben geleefd. Uit liefde, maar toch ook beetje vanwege de financiën.

Illustrator Gabriel Kousbroek (bijgenaamd Gaap) en ik logeerden op chateau Komrij in Vila Pouca da Beira. Even verderop in het dorp stond nog een kast van een huis, helemaal roze geschilderd. Gerrit vertelde ons dat daar vaak een bus met Nederlandse bejaarden stopte. De toeristen maakten dan uitgebreid foto’s van elkaar voor de suikertaart omdat er een beroemde schrijver zou wonen. Hij kon daar smakelijk om lachen: een roze huis, daar wil je toch niet dood in gevonden worden?

Gerrit en Charles vonden het fijn dat ze eindelijk weer eens ‘twee jonge frisse knullen’ over de vloer hadden (Gaap en ik zijn bij elkaar bijna honderd jaar). Bij het welkomstontbijt, dat vooral uit taartjes bestond, vroeg de schrijver of ‘de jongens’ al niet vast een drupje wijn of port wilden hebben want al die koffie, dat was nergens goed voor. We gingen lunchen in het favoriete restaurant van de Komrijtjes: Verandas Verdas. Charles had net zijn pensioen binnen en er was wat te vieren. Pal naast hun woonst ligt de begraafplaats van het dorp. ‘Kijk’, wees Komrij tijdens de rit, ‘daar kunnen ze me zo heen rollen, vanuit mijn huis, dat scheelt een lijkkoets.’

Zé, de eigenaar van Verandas Verdas, had de piepjonge serveerster uit de Oekraïne bezwangerd. Die werkte gewoon door, met haar dikke buik. Daar kon Komrij lang en sappig over roddelen, over het wel en wee van zijn dorp. Dat deed hij ook graag over het literaire wereldje in Nederland. De naam Arthur Japin leidde tot grote hilariteit tijdens de lunch, die uit zou lopen op een bacchanaal.

Thuis in de keuken kraste Gerrit het hele repertoire van de Selvera’s mee. Vooral De postkoets vond hij schitterend, waarbij hij vrolijk op de tafel roffelde. Gaap en ik eindigden die avond in een krakend ledikant, in oude flanellen pyjama’s van Gerrit en Charles. Komrij stak nog even zijn hoofd om de deur. ‘Hebben jullie het warm genoeg, handjes boven de dekens, hoor.’ We giechelden en riepen: ‘Welterusten ome Gerrit.’

De volgende dag zei hij dat hij erover dacht naar Vlaanderen te verhuizen. Daar had men nog respect voor een schrijver. Charles zei niks…

gaap-tuur-column-visite