Je was een garnaalvisser, Gerrit. Bij laagtij trok je je kniehoge laarzen en je kanariegele oliejekker aan en zette je je zuidwester op je hoofd. Met wat gesteun en gekreun klom je op je boerenpaard.
Voordat je het met een vriendelijke doch kordate tik de sporen gaf, stond je een moment met open mond te turen naar de einder.

Overpeinzingen, mijmeringen, daar was je dol op. Dan stapten de knol en jij de zee in, het zware garnaalnet achter jullie aan. Nooit keek je achterom naar hoe het net over de bodem van de zee sleepte.

Je blik pinde zich liever vast op wat er voor je gebeurde, de ene golf die over de andere rolde, de meeuwen die dichtbij cirkelden. Pas als je weer op het droge kwam om het garnaalnet te ledigen in de korven die aan beide flanken van je boerenpaard hingen, keek je naar je vangst. Die was zelden karig. Je ving altijd meer garnalen dan je op kon. Waren je korven tot de rand gevuld, graaiden je vingers er door en woog je een enkele garnaal op je hand. Je keek er met een kritische blik naar.

‘Ben jij, garnaal, het waard dat ik je mee naar huis neem, dat ik je klaarmaak, je oppeuzel en van je geniet?’

Soms mocht het dier inderdaad mee, soms wierp je het kordaat terug in de golven. Wat ook het lot was van de garnaal die even door je was aangeraakt, sowieso boog hij deemoedig het hoofd, zoals alleen garnalen dat kunnen.