Begin augustus 1988 maakte ik voor De Groene Amsterdammer een interview met Gerrit Komrij, die met Charles Hofman toen nog grotendeels uit verhuisdozen leefde in Vila Pouca da Beira na hun barre avonturen in Trás-os-Montes (Over de bergen, 1990).

Ik kende de twee alleen van afstand, gedagzeggen en hoogstens een handje. Dus om nou te zeggen oude bekenden, nee. We hadden rond elf uur afgesproken en toen ik een kwartier tevoren belde vanuit mijn hotel in een dorp verderop kreeg ik Charles aan de lijn: ‘Meneer Komrij zit nog te ontbijten’. Ik mocht een uur later terugbellen. Dat deed ik. Meneer Komrij nam de kranten door maar om een uur mocht ik verschijnen. Toen ik me aandiende werd ik naar een lommerrijk zitje in de tuin geloodst, waar Gerrit bij een biertje mijn bedoelingen peilde. Nee, ik kwam niet wroeten in de voorbije sores maar praten over het hem in de pers opgeplakte etiket ‘het geweten van links’ te zijn en over het idee dat hij milder was geworden. ‘Aha, dat schreef je, ja. Dus toch iets inhoudelijks!’ kraste hij met een goedmoedig – of vilein? Ik zat nog niet lekker – lachje. Nadat we wat recente literaire roddels hadden uitgewisseld, verscheen Charles. Gerrit riep hem van flinke afstand toe: ‘Charles, Arie is er een van ons, hoor, we komen naar binnen.’

Gerrit-Komrij-e1380206678381-600x426We gingen naar binnen en tussen dozen en kisten door liepen we naar een nog wat lege maar comfortabel ingerichte hoekkamer waar ik op een bank tegenover een prachtig schilderij kwam te zitten van twee, nee, bij nader toezien vijf gieren op een rots. Ik herkende het logo van de maker – ‘W.W.’ met gecentreerd daarachter een grote ‘B’ – van een boekband van een roman van Couperus. Daar maakte ik een goeie beurt mee. Als er nog van enig ijs sprake was, smolt het toen snel. ‘Ja, dat is een aardig ding. Wiering heet die man; heeft ie in Artis geschilderd,’ zei Charles.
Raadsel opgelost, want ik kende het logo wel maar had me vergeefs suf gezocht naar de naam van de bandontwerper: B.W. Wiering (1856-1939). Die slag had ik binnen, nu het interview nog. Ik haalde een geleende cassetterecorder uit mijn tas en stopte er wat onwennig een bandje in. ‘Hoeveel bandjes heb je bij je?’ vroeg Gerrit geamuseerd. ‘Ik moet eerst altijd wel een beetje op gang komen, hoor. Het duurt algauw een half uurtje voor de fluwelen volzinnen er moeiteloos uitrollen. Heb je reservebatterijen?’ Ik had een snoertje en er was een stekkerdoos. Alles werkte. We konden beginnen, dacht ik. ‘Je hebt toch nog wel wat te drinken?’ informeerde Gerrit bezorgd. ‘Charles,’ schalde hij, ‘hebben we nog wat kouwe biertjes voor Arie? En geef mij er ook maar eentje.’ Hij stak een sigaar op en keek me gemaakt ernstig aan. ‘Zullen we eens kijken of dat ding het doet?’

gerrit-komrij-arie-pos-02

We praatten een uur of twee en inderdaad raakte Gerrit na een haperende start steeds beter op dreef. De antwoorden werden langer en leuker en de vragen konden gaandeweg vrijwel achterwege blijven. Die stelde Gerrit er zelf tussendoor: ‘Je drinkt toch wel genoeg?’ en ‘Moet je niet wat eten?’ Toen de twee bandjes vol waren, kletsten we dapper door over Portugal en Nederland en kwam Charles er ook bij zitten. Gelukkig was het augustus en herinnerde ik me op tijd dat ik geacht werd met een paar foto’s terug te komen. Dat kon nog wel even. Na een laatste biertje met kaas en worst namen we hartelijk afscheid. Ik werd omhelsd en Gerrit zei: ‘Kom nog es langes. Nou ja, ik bedoel, kom nog es aan, hè? “Langes” is voor mensen die we liever niet op het erf willen.’ Duizelig van de hartelijkheid en de gastvrijheid stapte ik in de taxi die ze hadden gebeld.