In de jaren tachtig werden de Poëziezomers van Watou gecreëerd. Uit het totale niks werd het dorpje Watou – gewurgd tussen West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen, tussen België en Frankrijk – een plek waar zowel internationale dichters als plastische kunstenaars werden gestimuleerd om hoge toppen te bereiken.

In 2004 deed zich iets heel merkwaardigs voor. Hugo Claus werd 70, Rutger Kopland 65 en Gerrit Komrij 60. Drie grote dichters met een totaal eigen stem.

De drie dichters waren geen topvrienden en toch werden ze met grandeur gefêteerd tijdens de “zomer 2004”. De jarigen mochten de dichters kiezen die op een zondagmiddag uit hun werk zouden lezen. En elke dichter mocht zijn genodigden kiezen, van veto’s was er in Watou geen sprake.

Gerrit Komrij’s bezoek met Charles Hofman (met Charles zat de ambiance er helemaal in!) was voor mij hét hoogtepunt van de hoogzomer 2004.

Ik herinner mij de omhelzingen van Komrij in Utrecht (tijdens de fenomenale Nacht van de Poëzie), in Amsterdam (overal en nergens) en in Vila Pouca da Beira. Ik had de indruk dé Zonnekoning! te zijn als je bij Gerrit en Charles op audiëntie werd ontvangen. Eerst was er de aarzeling, dan de angst voor die grote, bijtgrage wolf Gerrit Komrij. En uiteindelijk kwam je terecht in een warm bad.

Terug naar het kleidorp in de Westhoek. Gerrit Komrij’s verjaardagsfeest mocht plaats hebben in de kerk. Die werd de grootste feestzaal van het dorp. Alle tenoren moesten een platform krijgen in Watou. Van het trio Kopland, Komrij en Claus was Gerrit de benjamin, te vroeg om nog in verjaardagsbloemen gezet te worden, té belangrijk om genegeerd te worden.

U moet het niet van mij aannemen, maar hoe het precies verliep die middag, avond en nacht in Watou, toen Gerrit Komrij met zijn partner Charles Hofman de bloemen kwam plukken, getuigde de kritische Vlaamse geest, de alom geroemde én gevreesde journalist Piet Piryns.
Die middag was hij de spreekstalmeester. Piet Piryns leidde in, op zijn weergaloze wijze. Hij haalde er zelfs het rekenmachientje bij en legde de verdiensten van de genodigden op een apothekersschaaltje.

“Dames en heren, goeie middag
Het kan u niet ontgaan zijn: Gerrit Komrij is dit jaar zestig geworden. Dat ging met veel feestgedruis gepaard en vandaag willen we dat nog één keer vieren – om het af te leren.
Net als Rutger Kopland, vorige week, en Hugo Claus, binnen veertien dagen, is Gerrit Komrij gevraagd vijf van zijn favoriete collega-dichters naar Watou uit te nodigen. De keuze van Komrij is veelzeggend. Ze verraadt dat deze kwieke grijsaard jong van hart is gebleven. Vorige week, bij de hommage aan Kopland, stonden hier rijpe vijftigers op het podium. Vandaag is de gemiddelde leeftijd van de dichters – ik heb dat exact voor u uitgerekend – vijfendertig jaar, twee maanden en zes dagen, maar dan laten we de jubilaris zelf even buiten beschouwing.

Ik stel de eerste dichter aan u voor: Hagar Peeters
‘Voordragen’, zei ze in een interview, ‘hoort bij het dichterschap. Je moet de ballen hebben om te laten horen wat je doet.’ Ze leerde het vak in jongerencentra, maar het etiket podiumdichteres bevalt haar al lang niet meer. ‘Vroeger’, zegt ze in datzelfde interview, ‘wilde ik zware onderwerpen op een lichte manier brengen. Nu laat ik erge dingen erg zijn. Ik maak mensen in mijn gedichten zieliger dan ze in werkelijkheid zijn.’

Koffers zeelucht is haar tweede bundel. Op Gedichtendag werd een gedicht uit die bundel uitgeroepen tot een van de beste drie van het voorbije jaar.

Dichter twee: Alfred Schaffer, de zoon van een Nederlandse vader en een Arubaanse moeder. Op zijn eenentwintigste verhuisde hij naar Kaapstad, waar hij in de ban kwam van de grote Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog. Angst en argwaan zijn de thema’s van zijn poëzie, dreiging en onbehagen. Onlangs verscheen zijn derde bundel Geen hand voor ogen. ‘Dit is poëzie om van wakker te liggen,’ jubelde Ilja Leonard Pfeijffer in NRC Handelsblad. ‘Met deze bundel vestigt Schaffer definitief zijn naam als een van de belangrijkste dichters van zijn generatie.’

Van de derde dichter, Ilja Leonard Pfeijffer, laat ik graag een paar uitspraken over poëzie horen.

‘Poëzie is het licht imbeciele zusje van de filosofie.’

‘Poëzie moet elitair en onbegrijpelijk zijn.’

‘Het is afgelopen met de poëzie. Verbieden! Verbranden!’

‘De dichter dient te zijn zoals ik, de berekenende gluiperd die er heel hard aan werkt om spontaan te lijken.’

Uitspraken van Ilja Leonard Pfeijffer. Zijn tegenstanders noemen hem een hypocriete zak en een gefnuikt evangelist – tot zijn groot genoegen overigens, want het is niet zijn ambitie de mensheid te behagen. Stefan Hertmans ziet in hem een travestie van Gerrit Komrij – en daar is iets voor te zeggen: zijn baldadigheid doet inderdaad denken aan de jonge Komrij. Pfeijffer treedt in diens voetsporen, niet alleen als dichter en als polemist, maar ook als bloemlezer: binnenkort hebben we naast de dikke Komrij ook de dikke Pfeijffer.

Nummer vier is Ramsey Nasr: dichter en schrijver, acteur en regisseur, zoon van een Palestijnse vader en een Nederlandse moeder. Na zijn studies aan Studio Herman Teirlinck is hij in Antwerpen blijven plakken. Dit jaar verscheen zijn tweede bundel Onhandig bloesemend. Remco Campert was daar zo van onder de indruk, dat hij er zijn column op de voorpagina van de Volkskrant aan wijdde. ‘De Nederlandse poëzie mag niet klagen,’ schreef Campert, ‘Dwars door de ellende heen is er een nieuwe generatie prachtige dichters opgestaan en hun gedichten zijn het enige wapen dat we hebben in een tijd waarin presidenten, generaals, geldmagnaten en fanatici de mensen naar het leven staan. Wat we nodig hebben is poëzie, meer poëzie.’ Met die aanbeveling moet Ramsey Nasr het kunnen stellen.

Tot slot de vijfde dichter. Gerrit Komrij heeft één Vlaamse en vier Nederlandse dichters uitverkoren: Tom Lanoye is een Vlaamse dichter en die telt voor drie, waardoor de zaak toch nog redelijk in evenwicht is.
Tom Lanoye is, zoals u weet, gefascineerd door de Eerste Wereldoorlog. Hij vertaalde en bewerkte de gedichten van de War Poets, en op 11 november verschijnt zijn nieuwe bundel Overkant – ook weer met poëzie uit de Groote Oorlog. Watou is de uitgelezen locatie om daaruit voor te lezen, al was het maar omdat op luttele kilometers hier vandaan, in Steenstrate, het Vlaams Blok vanmiddag zijn IJzerwake heeft gehouden. Vandaag groet de Antwerpse Boerentoren de IJzertoren.

Gerrit Komrij werd bij zijn debuut uitentreuren vergeleken met Piet Paaltjens en Lodewijk van Deyssel. Nu worden jonge dichters – zoals Pfeijffer daarnet – met hem vergeleken. ‘Ik heb geen vijanden’, zei hij in een interview naar aanleiding van zijn zestigste verjaardag, ‘ik bén de vijand.’ Zijn liefde voor de poëzie is even oprecht als zijn afkeer van slechte dichters. Hij heeft zichzelf wel eens beschreven als ‘een misantroop die van mensen houdt’ en beter zou ik hem niet kunnen typeren. Het feestvarken van deze middag, het fabeldier dat Komrij heet, verdient een groot applaus.”

En toen werd het nog zeer laat, zeer euforisch én dan volgde een nacht vol sprankelende anekdotes die in allerlei literaire kroegen in de Nederlanden nog steeds op stille fluistertoon worden verteld.

Prof. Hugo Brems is er niet de man voor om van euforie uit een palmboom te springen, feiten zijn voor hem feiten. In de catalogus van de Poëziezomer 2004 schreef hij:

“Werd Komrij aanvankelijk door sommige lezers en critici gezien als een provocerende dandy, een retroknutselaar, in de loop van de jaren groeide hij uit tot een van de meest gezaghebbende promotoren van de poëzie. Zijn werk als bloemlezer, als uitlegger van gedichten en tenslotte als Dichter des Vaderlands en als initiator van het poëzietijdschrift Awater zijn daarvan de meest in het oog springende manifestaties.

In zijn eigen poëzie is Komrij zijn uitgangspunten trouw gebleven. Luchtspiegelingen (2001) heet zijn meest recente bundel, een titel die al meteen het thema van schijn, bedrog, illusie en maskers oproept.

De vorm is een masker, dat de ondraaglijke naaktheid van het leven afschermt en tegelijk toont wat er verborgen is, wat gevreesd of verlangd wordt maar nooit bereikbaar is.”

De muzikale intermezzo’s werden die zondagmiddag gebracht door de pop- en rockzanger Luc De Vos. Het gezicht én de stem van Gorki. Een zanger met een uitgesproken feeling voor literatuur en vooral voor poëzie. Voor Komrij kon je toch geen koortje of strijkorkest ten gehore brengen. Luc De Vos zei na een langdurige aarzeling: ‘Ik zal het proberen. Maar ik wil de Heer Komrij niét ontmoeten. Mijn tekstjes zijn slechts over-datum-snoepjes in vergelijking met wat hij literatuur vindt’.

De Vos hield woord. Bloednerveus kwam hij de kerk binnen, bloednerveus reed hij weer naar Gent zonder Komrij of wie dan ook te groeten.

Maanden later, in het wilde, woeste rockcafé van Gent, De Caruso: ‘De Heer Komrij vond mijn optreden een ramp?’

Ik probeerde hem van het tegendeel te overtuigen. Gerrit Komrij was zeer verbaasd dat Luc er als een speedkikker van door was gegaan, meer nog: Komrij noemde het ‘misplaatste schuchterheid’.

Een decennium later bliksemde Piet Hein Gerrit Komrij en Luc De Vos neer.

Komrij de schrijver van de unieke Boudewijn De Groot-song ‘De kinderballade’ en de auteur van een imposant oeuvre ging na een korte ziekte. Véél te vroeg. Schande!

De Vos, die Vlaanderen weken lang deed huilen nadat hij op zaterdagavond 29 november 2014 op 52-jarige leeftijd door zijn beste vriend in de fauteuil werd aangetroffen: dood! Méér dan bij de dood van Koning Boudewijn – de meest geliefde vorst uit de geschiedenis van België – stonden minstens achtduizend mensen op het immense Sint-Pietersplein in Gent hem een laatste groet te brengen. Van de Hells Angels tot de bisschop. Huilen, werd het, huilen om een held die te vroeg was heengegaan.

Is het een troost om te denken dat Gerrit en Luc –de ene nippend aan een witbiertje, de andere aan whisky – zich nu samen bescheuren over dit tranendal? En zo zijn ze tien jaar na datum toch nog in een geanimeerd gesprek geraakt…