Drie dagen voor zijn overlijden in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam jammerde hij: ‘Ooooh, wat ben ik dom geweest !’ Doorgaans keek hij bij het slaken van een verzuchting tersluiks hoe de gesprekspartner hierop reageerde, en de blik die hij dan op je richtte kon ironisch, bekommerd, samenzweerderig, zogenaamd verbijsterd, smekend of quasi wanhopig zijn, maar nu staarde hij recht voor zich uit in het meedogenloze niets en zocht geen bijval meer.

Ik had natuurlijk de aanvechting hem verontwaardigd tegen te spreken, maar dat zou dan voor het eerst en voor het laatst zijn.

Ooooh wat ben ik dom geweest!

In dit huiveringwekkende, Faustiaanse postulaat vatte hij zich samen.

Kreeg hij een herkansing, dan zou hij geen pen meer op papier zetten en dag in dag uit zalig blijven liggen lezen. Pessoa.

Was hij maar niet zo dom geweest om het schrijven de overhand te laten nemen.

Dan zouden wij Het Komrijk nooit deelachtig zijn geworden.