Mijn vader was dood, en ik veertienjarige scholiere bleef over in bruine cafés en dronk graag thee bij Rob en Ansje, in hun galerie Mandala, in de Groningse Folkingestraat. Op een middag stond ik bij Mandala voor de deur, toen ik tot mijn verbazing Ernst-Jan, de zoon van mijn ouders’ vrienden Piet en Trude Engels, die toch in Amsterdam woonde, aan zag komen lopen. Hij had dikke pret met de jongeman die naast hem liep. Dat bleek Gerrit Komrij te zijn. Ze waren op weg naar Café de Vlaamsche Reus, waar ze Riekus Waskowsky zouden ontmoeten. Die kende ik uit De Reus. Ik zou ze wel even de weg wijzen. Denkend aan hen die er niet meer zijn, ben ik weer even terug in die tijd, en zie ik hoofdschuddend in gedachten dat meisje en die lachende jongens weer.