De veelzijdigheid van Gerrit Komrij is sinds zijn verscheiden in alle toonaarden bezongen. De virtuoze dichter, de vileine criticus, de begenadigde vertaler, de verdienstelijke bloemlezer, de opgewekte cynicus, de melancholieke sarcast – we hebben hem in al deze gedaanten aan ons voorbij zien trekken. Voor sommigen was hij daarbij een toegewijde vriend, een vrolijke metgezel en, samen met Charles Hofman, een geweldige gastheer. Gerrit Komrij was sinds 1971 lid van de Maatschappij. Hoewel ik niet tot de inner circle behoorde, was hij voor mij toch vooral een hartelijke vriend. Onze paden hebben zich menigmaal gekruist. Op verzoek van de redactie noteer ik een paar persoonlijke herinneringen.

 

Witte Donderdag

 

Ruim dertig jaar geleden had ik Gerrit bereid gevonden om in het Dordrechts Museum een lezing te houden over zelfmoord in de literatuur van de negentiende eeuw. Dat deed hij met verve. Een gloedvol betoog over allerhande soorten suïcide deed een huivering door de volle zaal gaan. Na afloop vroeg hij of ik mee naar Amsterdam wilde rijden. Charles en hij wensten nog wel eerst iets te drinken. Ik kende hem toen nog niet zo goed en moest diezelfde nacht nog een stukje over deze avond voor NRC Handelsblad doorbellen, maar ik stemde toe.

Het werd buitengewoon gezellig in die Dordtse kroeg. Tegen sluitingstijd wilden enkele notabelen het feest bij hen thuis voorzetten, met de spreker en zijn gevolg. Charles voelde daar wel voor, maar Gerrit gelukkig niet. Zo reden we terug naar Amsterdam, met Charles aan het stuur. De overvloedige bieren eisten hun tol. ‘You don’t buy beer, you only rent it’, zeggen de Amerikanen. Charles parkeerde de auto op de vluchtstrook van de snelweg. Hij en ik stapten uit. Toen we daar zo naast elkaar stonden en Gods water over Gods bermbeplanting lieten stromen, draaide Gerrit het raampje open, stak zijn hoofd naar buiten, en sprak met een mengeling van bezorgdheid en geamuseerdheid in zijn stem: ‘Vatten jullie geen kou, jongens?’ Het was de nacht van Witte Donderdag op Goede Vrijdag 1980. Het tafereel is mij altijd bijgebleven.

 

Romantiek

 

In 1982 verscheen Komrij’s bloemlezing Aan een droom vol weelde ontstegen, waarin gedichten uit de West-Europese Romantiek in vertaling bijeen waren gebracht. Hij heeft toen mijn hart gestolen, omdat hij niet alleen een Byron-vertaling van Nicolaas Beets en van Jacob van Lennep, maar ook van mij had opgenomen. Ik was apetrots en ben hem er nog dankbaar voor.

In De Balie in Amsterdam werd er toen een literaire middag georganiseerd, onder leiding van Astrid Joosten. Bij die gelegenheid voerde ik een gesprek met hem over de Romantiek, dat live op de radio werd uitgezonden. Wat hij toen zei, weet ik niet meer, maar zelden heb ik iemand zo overtuigend uiteen horen zetten wat deze stroming nu precies inhield, wat er zo boeiend aan was en waarom we vooral die gedichten moesten lezen, in afgewogen volzinnen die je zó naar de drukker kon brengen. Hella S. Haasse kon dat ook, maar van Gerrit Komrij wist ik dat toen nog niet.

 

Metamorfose

 

Het moet halverwege de jaren tachtig geweest zijn. Gerrit en ik stonden om half twee ‘s nachts in café De Pels in de Huidenstraat te Amsterdam te praten over Die Wahlverwandtschaften van Goethe. Komrij had zijn toneelstuk het Het chemisch huwelijk (1982) op deze roman gebaseerd. We waren allebei Goethebewonderaars. Het leven op zo’n landgoed, zoals beschreven in het boek, dat leek ons wel wat. Je kon daar ongestoord rondwandelen en je onbekommerd aan je liefhebberijen overgeven. Voorwaarde was natuurlijk wel dat je betrouwbaar personeel had.

Zo stonden we daar gemoedelijk te bespiegelen, toen er buiten voor de deur een vechtpartij uitbrak. Gerrit rende de straat op, begon de beide belligerenten luidkeels aan te moedigen met teksten als ‘Sla hem op zijn smoel!’ en woorden van gelijke strekking, terwijl hij vrolijk om hen heen danste. En dat terwijl hij er natuurlijk geen idee van had wat de aanleiding was tot dit handgemeen. Zo kreeg ik opeens een geheel andere Komrij te zien dan de gesprekspartner die zo onderhoudend en wellevend over kunst en cultuur kon praten.

 

Drie oktober

 

In 1999 was Gerrit Komrij gastschrijver aan de Leidse universiteit. Daar heeft hij een feest van gemaakt. Ik mocht hem begeleiden. Hij gaf college over Afrikaanse poëzie en hield daar ook een lezing. Maar het leukst vind ik eigenlijk dat Gerrit het 3 oktoberfeest van dat jaar zo intensief heeft meebeleefd. Andere schrijvers zouden wellicht hun wenkbrauwen optrekken bij dit volksvermaak, maar niet Gerrit Komrij.

In de ochtendzon zat hij al op een stoeltje voor zijn hotel aan het Rapenburg de deelnemers van een wielerwedstrijd aan te moedigen – ik meen dat ook Joop Zoetemelk en Jan Janssen meereden. Hij had bij mij geïnformeerd naar de beste drankgelegenheden van de academiestad, zoals de Bonte Koe. Daar was hij vervolgens tot diep in de nacht waargenomen, uitbundig deelnemend aan de feestvreugde. Kort daarop verleende de universiteit hem een eredoctoraat, niet zozeer vanwege 3 oktober, maar vanwege zijn grote verdiensten voor de literatuur. Ook dat was een memorabele gebeurtenis.

 

Vila Pouca da Beira

 

Op de avond dat Gerrit als gastschrijver in Leiden verwelkomd was, liep ik met Charles naar het station. Hij diende terug te keren naar Portugal vanwege de druivenoogst op hun landgoed, waar hij de supervisie over had. Ik moest meteen aan Goethe denken. Gerrit en Charles hadden mij meermalen uitgenodigd hen te bezoeken, maar het was er niet van gekomen. In 2004 werd me gevraagd om gastcolleges te geven in Coïmbra. Dat was mijn kans. En juist toen ik hun mijn komst wilde melden, nodigde Gerrit mij uit voor de viering van zijn zestigste verjaardag in Nederland, precies in de tijd dat ik in Portugal zou zijn!

Twee jaar later ging ik opnieuw naar Coïmbra. Toen is het wel gelukt. Samen met Arie Pos kwam ik om half twaalf in de ochtend bij Vila Pouca da Beira aan. De rest van de dag verliep als in een roes. We dronken bier op het terras, gingen een deel van het huis bekijken, dronken weer een glaasje bier en maakten een wandeling over het landgoed. Charles was trots op het genoeglijk zitje dat hij op een eilandje in de grote vijver had aangelegd. Weer moest ik aan Die Wahlverwandtschaften denken.

Ook toonde hij zijn atelier waar hij glas-in-loodwerk vervaardigde. Twee Portugezen waren onder zijn supervisie doende achter het huis een weg aan te leggen. Na een glas wijn van eigen makelij bezochten we dat deel van de bibliotheek waar de negentiende eeuw was ondergebracht. ‘Zo’n eerste druk van Bilderdijk kocht je in de jaren zestig voor twee gulden’, mijmerde ik. Dan zei Gerrit: ‘Dat vind ik veel. Ik heb er nooit meer dan één gulden voor betaald.’

Ondertussen was Louisa, de huishoudster, uit het dorp gearriveerd. Na korte tijd werd er in de grote keuken een verrukkelijke maaltijd opgediend. Ik weet niet meer wat er op het menu stond, maar wel dat het een hommage aan het landleven was. Na de koffie zaten we boven op een beschut terras ons beider relatie met Boudewijn Büch te bespreken – en de teloorgang daarvan. (Ik zou Gerrit z’n gezicht wel eens willen zien wanneer hij had kunnen vernemen dat hij postuum de Boudewijn Büch-prijs zou ontvangen. We houden het er op dat zij tweeën van boven geamuseerd hebben toegekeken, toen Charles de prijs op 6 oktober 2012 namens Gerrit in ontvangst nam).

Nu kregen we een glimp van hun fraaie kunstcollectie te zien. Ze hadden juist een tekening van een onbekende man gekocht, gemaakt door Jan Toorop. ‘Maar dat is een zelfportret!’, riep ik. Gerrit geloofde het pas toen hij het boek van Victorine Hefting over Toorop had nageslagen. Het stond er niet in, maar hij zag dat ik gelijk had. Ze waren dankbaar en opgetogen. Charles zei dat de waarde nu verviervoudigd was. Hoewel het hier toch vooral een sigaar uit eigen doos betrof, kon ik die dag verder geen kwaad meer doen. We keerden terug naar het terras, dronken daar tot middernacht nog menig glas wijn, bespraken de toestand in de wereld in het algemeen en die van Nederland in het bijzonder, en begaven ons te ruste.

De volgende ochtend moest ik een lezing houden in Porto, maar hoewel we het nodige hadden ingenomen, voelde ik me dankzij de kwaliteit van de wijn niet in het minst bezwaard. Vroeg in de morgen nam ik afscheid van beiden en hun Goetheaanse buiten. Een logeerpartij die me lang zal heugen.

 

Allerheiligen

 

Nadien trof ik Gerrit nog regelmatig. Soms kon ik hem helpen met het opzoeken van negentiende-eeuwse gedichten, waar hij dan een boekje mee samenstelde, zoals van de volslagen onbekende dichter Didymus. In een bloemlezing over Leidse literatuur, waaraan we allebei hadden meegewerkt, schreef hij een hartelijke opdracht, gedateerd: ‘Allerheiligen 2009’. Het is het laatste schriftelijke aandenken dat ik bezit. Vlakbij zijn huis in Portugal is een klein kerkhofje. Daar rust hij nu in vrede. We vergeten hem niet.

 

 

Eerder verschenen in: Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 30 (2012)