Kippenhok

30 Maart 1944

Gerrit Jan Komrij werd op 30 maart 1944 geboren in een kippenhok in Winterswijk. Althans, dat heeft de schrijver zelf altijd verteld, en zo staat het in een aantal letterkundige publicaties vermeld.

Wat was er gebeurd?

De hoogzwangere Lijs Komrij maakte een wandeling over een pad door het landschap van de Achterhoek dat zich uitstrekte aan het eind van de Iepenstraat, het smalle straatje waar het gezin Komrij woonde. Op dat moment scheerde een Messerschmitt laag over, die de aanval leek in te zetten. De aanstaande moeder sloeg op de vlucht voor het angstaanjagende geluid van het gevechtsvliegtuig, rende het erf van een nabijgelegen boerderij op en beviel van schrik in het kippenhok.

Deze plotselinge gebeurtenis, temidden van opwarrelend stof, veertjes en het klokken en tokken van de kippen verklaart, zo denkt de schrijver, zijn levenslange afkeer van ‘alles wat met kippen te maken heeft’.

Zijn moeder had volgens Komrij nog wel om de boerin geroepen, maar had de bevalling uiteindelijk zelf volbracht, en was daarna weer op huis aangegaan. ‘Zo gaat dat op de boer: je bevalt, staat weer op en neemt je kind onder de arm mee naar huis.’

Het hoeft niet te verbazen dat in de archieven van de Achterhoek en het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie niets is terug te vinden over enige oorlogsactiviteit in het luchtruim boven Winterswijk op en rond de dag van de geboorte van de schrijver. Toch kan Piet Komrij, Gerrits tien jaar oudere broer, zich wél een verblijf in een kippenhok herinneren. Maar dat was een jaar ná Gerrits geboorte, toen Winterswijk door de geallieerden werd bevrijd, en veel mensen uit de buurt van de Iepenstraat bij boeren in de omgeving een veilig heenkomen hadden gezocht. Vader, moeder, Piet en de éénjarige Gerrit waren in die ene nacht dat zij in dat kippenhok moesten schuilen niet alleen geweest. Er was ook een tante van Gerrit bijgeweest. Zij was hoogzwanger.

Volgende

Stiekem met zijn zaklantaarn

30 Maart 1949

Zijn lievelingsdingen waren boeken. Hij sleepte ze overal vandaan en zette ze op zijn zolderkamer met hun ruggen in het gelid: woordenboeken, meterslange verhandelingen over de verhouding tussen Kerk en Staat. Allemaal boeken die hij niet las, maar die wellust, verbazing en verwondering wekten door ernaar te kijken. Al snel was rangschikken niet meer het enige dat hij deed met de boeken. Vanaf zijn vijfde begon Gerrit alles te lezen wat los en vast zat. Van ’s ochtend vroeg tot ’s avonds laat, stiekem met zijn zaklantaarn in bed.

Wat las hij zoal? De Encyclopedie voor iedereen, Jongens en scheikunde, Juweeltjes voor jongelingen, deeltjes Pietje Bell, Een schooljongen of Van kwaad tot erger (een vertaling van Eric, or Little by little van F.W. Farrar), Circusjong van Dick Laan (wat een flinke desillusie was, omdat het boek opent met een voetbalwedstrijd), en De verslaggever van de Nieuwsbode van Tjeerd Adema, waarin Jan Vrolijk als jongste verslaggever de voorpagina van de krant weet te halen. De boeken die Gerrit bevielen, zoals de laatste, brachten hem in opperste staat van verwondering.

Lezen werd leven, ook voor Jacob Witsen: ‘Als hij in De verslaggever van de Nieuwsbode van Tjeerd Adema las hoe Jan Vrolijk voor de krant een ballontocht maakte, dan droomde hij van ballonnen. Wiekloze vogels waren dat, die stil, als een majesteit, boven de wereld hingen, zoals een lorgnet boven een damesneus. Jacob vertelde veel te opgewonden verhalen over hoe hij zelf in zo’n rieten mand meezweefde en neerkeek op meren en kerktorens, die klein leken of ’t putten en pukkels waren, maar vervolgens zag hij hoe de jongens die hij het vertelde onrustig begonnen te kijken naar een waterplas op straat of naar een voorbijgaande fietser, en dan hield hij maar op.’

Volgende

Ontzagwekkende schooldeur

27 Augustus 1950

Op zijn eerste schooldag is Gerrit, zes jaar oud, over de drempel gesleurd. Om half negen ’s ochtends was hij aan de hand van zijn moeder de deur uitgelopen, twee keer de hoek om, naar School O aan de Vredenseweg. Moeder en zoon liepen het plein met de joelende en spelende kinderen op. Gerrit zweeg hardnekkig. Zijn moeder had gezegd: ‘Ja, ja, nu ben je nog een beetje bang omdat het zo nieuw en onbekend is, maar straks, in de middagpauze, zul je ons juichend komen vertellen wat voor een bofkont je plotseling bent.’

Het liep anders. Een meter van de ontzagwekkende schooldeur verwijderd rukte Gerrit zich los en zette het op een lopen. ‘Ik rende,’ schreef hij in Lof der simpelheid, ‘zoals ik nog nooit had gerend, de lange weg af; voorbij de molen, voorbij de laatste huizen van het dorp, tot daar waar de weilanden, omzoomd door bossen begonnen. Het was of ik nog een keer bij al dat heerlijks wilde zijn, of ik voor de laatste maal bruiloft wilde vieren met alles wat klaterde, loeide, ritselde en geurde. Van de rest weet ik alleen nog maar dat het mensen te fiets waren die mij inhaalden, dat ik gevankelijk en diep vernederd werd weggevoerd en dat daarna een tijd van nacht en nevel aanbrak waar geen einde aan leek te komen en waaruit me niet één zonnig ogenblik, geen enkele schaterlach heugt.’

 

Volgende

Remington

05 December 1952

Gerrit krijgt van zijn vader voor Sinterklaas een tweedehands Remington-schrijfmachine.

Volgende

Topgymnast

12 Juni 1955

Van Jacob Witsen (Komrij’s jeugdige alter ego in Verwoest Arcadië) wordt verteld dat hij slecht was in sport, maar uit de ‘resultaten van het afnemen der proeven voor de schooldiploma’s lichamelijke geoefendheid’, op 12 juni 1955 genoteerd in de agenda van zijn oude sportlerares, blijkt dat Gerrit Komrij in de vijfde klas juist de beste sporter van de klas was. Voor ‘kastiebalwerpen’ en de ‘behendigheidsproef’ een ‘A’. Hij was alleen geen hoogspringer. Pas op het lyceum zouden zijn lichamelijke oefeningen niet meer boven de vijf uitkomen. Na 4 HBS hield hij de gymlessen zelfs geheel voor gezien.

Volgende

Vakantiekolonie

15 Juni 1955

In 1955 werd Gerrit gedurende de zomer naar een vakantiekolonie in Oostvoorne gestuurd om aan te sterken. De vakantiekolonies waren opgericht voor arme kinderen uit de stad die te mager waren en moesten aansterken.

Het was dan ook opmerkelijk dat Gerrit daar naartoe ging, want zijn ouders mochten het niet al te breed hebben, eten was er thuis voldoende.

Voor Gerrit was het verblijf in Oostvoorne geen vakantie, maar een strafkamp, waar onder toezicht van strenge dames moest worden gegeten, gewandeld en uitgerust.

Er heerste een streng regime waarin elke middag moest worden geslapen, slaap of niet, en elk bord tot de bodem moest worden leeggegeten. Eerder mocht hij niet van tafel.

Gerrit kwam ‘8 pond en 2 ons’ aan – zo noteerde hij destijds op de achterkant van een foto – en was dat gewicht bij terugkeer in het ouderlijk huis te Winterswijk binnen een week weer kwijt.

Volgende

Hogere burgerschool

27 Augustus 1956

In augustus 1956, twaalf jaar oud was hij toen, ging Gerrit naar de rijks hogere burgerschool, zoals dat in grote letters op de gevel stond van het hoge, statige, wit gepleisterde gebouw van het Winterswijks Lyceum aan de Zonnebrink. Schoolgaan vervloekte hij nog altijd hartgrondig. Op het lyceum heerste nog de sfeer van de negentiende eeuw. Het gebouw was uit die tijd, de omgangsvormen waren nog even stijfjes, en de leraren gingen gekleed in driedelig grijs. Ook inhoudelijk leken sommige docenten meer dan een halve eeuw achter. Voor Gerrits eerste leraar Schone Letteren hield de literatuur omstreeks 1880 op. De rest was te modern.

Ondanks zijn afschuw van school was Gerrit een goede leerling. Hij was zelfs zo goed dat een van de docenten zijn ouders aanraadde om hem van de hbs te halen en over te plaatsen naar het gymnasium, het schooltype voor slimme zoontjes voor notabelen. Dat idee stond Gerrit wel aan, omdat het hem op termijn de mogelijkheid zou bieden om in de stad te gaan studeren. ‘Bovendien,’ schreef Komrij in Verwoest Arcadië, ‘op de hogere burgerschool zaten alleen maar lagere burgers. De échte hogere burgers zaten op het gymnasium. Daar hoorde hij dus thuis. Of liever: daar wilde hij juist zijn omdat hij er niet thuishoorde. Hij was in de wieg gelegd voor koekoeksei.’

Volgende

Goud op snee, gravures en Goethe

14 Mei 1958

Letters, drukwerk, boeken – ze wekten bij hem een brandende begeerte op. Hij las de leeszaal boven het postkantoor leeg, en drukte ’s ochtends voor hij naar school ging zijn neus tegen de ruit van boekhandel Albrecht aan de Markt. Dat was, overigens, voor een dorp een goed gesorteerde boekhandel met een stevige plank poëzie. En als er markt was, op woensdag, rende hij in de pauze via de kleine steegjes naar de voet van de kerk, waar de boekenman zijn kraampje had. Als een bezetene liet hij zijn ogen over de ruggen van de titels schieten, en in één oogopslag wist hij welke boeken hij mee naar huis zou nemen. Al kostte het hem zijn laatste kwartjes.

Gerrits hart ging vooral uit naar negentiende-eeuwse boeken, waar weinigen in die tijd iets om leken te geven. Hij hield van die zware banden met goudstempels en goud op snee, met oude gravures van een grafzuil, engelen of een waterval op de titelpagina. Het waren niet alleen de werken van Staring, Van Lennep en Ten Kate, J.J.L., die hem fascineerden, maar ook die van de grote Franse en Duitse schrijvers. In het bijzonder vatte hij een verzengende liefde en verzameldrang op voor het werk van Johann Wolfgang von Goethe.

Volgende

Dichtersdebuut

10 Juni 1960

In 1960, in het juninummer van Kontakt, het ‘officieel orgaan van de Winterwijksche Lyceum Vereniging’, debuteerde Gerrit als dichter met ‘Vakantiegroet in de trant van Vondel’. Het gedicht is een parodie op Vondels ‘Uitvaert van Orfeus’ dat hij later in zijn bloemlezing De Nederlandse poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw in 1000 en enige gedichten zou opnemen. De eerste strofe van de parodie luidde:

Toen wij met onse tasch
Toen wij met onse tasch, in klasch
En schoolghebou hier kwamen,
Tierelier, tierelier,
Wat waren w’ in ons’ sasch

Tussen 1960 en 1963 zou hij in Kontakt veertien gedichten publiceren, zeer wisselend van toon, vorm en inzet.

Volgende

Latijn en Grieks in twee maanden

15 Juli 1960

In 1960 stapte Gerrit over van 4 hbs naar 4 gymnasium. Het betekende dat hij in één zomer drie jaar Latijn en twee jaar Grieks moest inhalen. Twee maanden lang, twaalf uur per dag, stampte hij de vervoegingen en de naamvallen van de klassieke talen in zijn hoofd, talen waarvan hij nog geen letter kende voordat hij erop begon te studeren. Aan zijn cijferlijst viel niet te merken dat Gerrit zo’n reuzensprong had moeten maken. Louter zevens en achten voor Latijn en Grieks. De vertalingen die hij inleverde waren van hoge kwaliteit. Al had de docente Oude Talen goed begrepen dat dat vooral te danken was aan zijn soepele stijl en inventiviteit als vertaler, en niet aan zijn gedegen kennis van het Latijn en Grieks.

Volgende

De koning in de kist

23 November 1961

Na een aantal malen te hebben meegespeeld in de toneeluitvoeringen op school, waarin zijn houterige bewegingen als Robbeknol en Jan de verlopen soldaat op veel succes mochten rekenen, schreef hij in 1960 zijn eerste toneelstuk, waarin, naar vertrouwd recept, veel werd gezucht, geschrokken en gekreten, ’t liefst op rijm. Het stuk heette De koning in de kist en was een ‘vrolijk spel in drie korte bedrijven voor eerste klassers’. In 1963, zijn eindexamenjaar, schreef Gerrit ook nog het stuk De bekeerde Willem, een ‘sentimenteel spel voor eerste klassers’, ditmaal drie korte bedrijven in rijmende verzen.

Volgende

Hij heette Botho

26 Juli 1962

In 1962 had hij samen met zijn boezemvriend Jan Jaap Sorber de musical Op de markt van Rim Bim Bim geschreven, die op verzoek van de jeugdvereniging van het Rode Kruis werd opgevoerd in Sociëteit De Eendracht tijdens een ‘ontspanningsmiddag’ voor de Winterswijkse bejaarden. ‘Het was een toneelgebeuren, waarvan de aanwezigen zeer genoten,’ schreef de Winterswijksche Courant.

Zelf had Gerrit het gevoel dat hij gestraft werd voor dat succes. Twee maanden na de opvoering van Op de markt van Rim Bim Bim werd hij samen met Paul Köhler, de voorzitter van de Rode Kruis Jeugdvereniging, als dank voor zijn inzet voor de bejaarden, uitgenodigd voor een stoomcursus Eerste Hulp in het bedevaartsplaatsje Mariazell in Oostenrijk.

Toch was het juist daar, hoog in de Kalkalpen, dat Gerrit voor het eerst een jongen in de ogen durfde te kijken op wie hij hartstochtelijk verliefd werd. Een Duitse weesjongen. Hij heette Botho. Gerrit kon zijn ogen niet van hem afhouden.

Volgende

Openbaring op de Jachthuisweg

17 Februari 1963

In zijn laatste schooljaar, negentien was hij, werd hij getroffen door een ‘mystieke blikseminslag’: ‘Páng. Van het ene moment op het andere wist ik wat poëzie betekende. Op een vroege ochtend op de Jachthuisweg. Ik zag daar koeien. Ik zag daar een molen. Hollandser kon het al niet. En toch gebeurde het daar.’ (Alles onecht)

Wat er precies gebeurde zal altijd onduidelijk blijven, maar duidelijk is wel dat Komrij achteraf aan die gebeurtenis het gevoel heeft overgehouden ineens precies te weten hoe hij moest dichten. ‘s Ochtends vroeg had hij, voor de lessen begonnen, het huis verlaten. Hij liep het dorp uit, de weilanden in. Bij de Jachthuisweg mistte het, en zag hij de koeien in de laaghangende nevel zweven. Er heerste, kortom, een poëtische stemming. ‘Plotseling wist ik dat ik niet koeien in de mist moest schrijven als ik om de poëzie van koeien in de mist verlegen zat. Paarden onder de maan, dat was al beter. Maar liever nog: een haar in een kam, een meikers in de yoghurt, een vlek in een tropenpak. Het ging er niet om de natuur zo volledig mogelijk in woorden te vangen, het ging erom door de rangschikking van woorden een eigen, geïsoleerde natuur te scheppen. Het ging erom de impressie te vermoorden.’

Dit is de kern van Komrij’s paradoxale poëtica. Voor het eerst trof het hem dat hij in zijn gedichten het onverenigbare moest verenigen, doel moest treffen door de dingen omgekeerd te zeggen. Of via een omweg. Zichzelf in één soepele beweging openbaren en verhullen. De eerste gedichten die van hem afzonderlijk, in december 1963 bij Drukkerij Holders in Winterswijk werden gezet, geven daar al blijk van. De vier gedichten van Dekonstruktie in vier delen hebben ook voor het eerst die kenmerkende vorm van Komrij’s latere werk: twaalf rijmende regels, een getal dat even groot is als het aantal letters van zijn naam.

Volgende

Kamperen op de berg

15 Juli 1963

Na hun eindexamen gingen Gerrit en Jan Jaap Sorber samen op reis naar Bern, waar ze een paar dagen konden logeren bij de familie van Peter Tschanz, die Gerrit had ontmoet in Mariazell. De boezemvrienden kampeerden daarna ook nog samen in een tentje op de berg. Daar spraken ze voor het eerst over Gerrits liefde voor jongens. Jan Jaap voelde ook wel enige spanning in de lucht hangen en heeft duidelijk gemaakt dat hij Gerrit niet aan zijn lijf wilde – en dat is dan ook nooit gebeurd. De vakantie voltrok zich daarna in volkomen harmonie en stond ook in het teken van hun naderende vertrek uit Winterswijk, van hun nieuwe bestaan als student in de grote stad.

Volgende

Naar de grote stad

01 Augustus 1963

Niet Utrecht of Groningen – zoals zijn ouders graag hadden gewild – maar Amsterdam was in de ogen van de aanstormende student Nederlandse taal- en letterkunde Gerrit Komrij de stad der steden. Daar moest en zou hij naar toe. Waarom? ‘Om de zonde, in de eerste plaats,’ schreef hij in Verwoest Arcadië. ‘Om de zonde die hij niet kende en die even verborgen als veelbelovend was. Er trok hem in die stad iets aan, al wist hij niet wat. Hij moest er naar toe, maar het was het heilige moeten van een onnozele koe, als je het goed bekeek.’

Maar toen Komrij in de zomer van 1963 verhuisde van Winterswijk naar Amsterdam gebeurde er de eerste maanden helemaal niets wat als ‘zondig’ zou kunnen worden aangeduid. Komrij kwam door de bemiddeling van een oom en de vader van Jan Jaap Sorber, een van de Winterswijkse dominees, samen met zijn boezemvriend terecht op een kamer in het AMVJ, de christelijke jongemannenvereniging aan het Leidsebosje, direct boven het Centraal Hotel.